| ADHD | ADD | diagnose | kenmerk | DSMIV |
ADD staat voor 'Attention Deficit Disorder'. ADD wordt beschouwd als een subtype van ADHD, waarbij de hyperactiviteit ontbreekt. Volgens de DSM IV spreekt men van ADHD-subtype 1. In de praktijk wordt dit ADD of aandachtstekortstoornis genoemd.
AandachtsfunctiesKinderen met ADD hebben meestal veel moeite met een of meer aandachtsfuncties. Zo kan het zijn dat ze het lastig vinden om gericht informatie op te nemen of om een onderscheid te maken tussen belangrijke en onbelangrijke prikkels. Kinderen met ADD zijn vaak erg stil, teruggetrokken en passief.
RegelfunctiesOok wordt bij ADD een stoornis verondersteld in de zogenaamde executieve functies, de regelfuncties van de hersenen. Dit zijn de functies die verwerking van informatie in de hersenen coördineren en organiseren.
OorzakenDe oorzaken van ADD worden net als bij ADHD gezocht in het functioneren van de hersenen. Maar het is nog niet echt duidelijk wat er niet goed functioneert. Er zijn verschillende theorieën over functies in de hersenen, die bij ADD afwijkend zouden zijn door een verminderde prikkeloverdracht tussen zenuwcellen.
GevolgenKinderen met ADD vallen meestal niet zo erg op in de omgeving. Hun problemen worden daardoor veel minder snel opgemerkt dan bij kinderen met ADHD. Toch is de kans groot dat deze kinderen ernstig lijden onder het niet goed kunnen functioneren. Als er niet op tijd wordt ingegrepen, ontstaan er op latere leeftijd dikwijls problemen. Kinderen met ADD hebben veel moeite om hun aanwezige capaciteiten goed te gebruiken en verder te ontwikkelen. Ze ontwikkelen vaak een negatief zelfbeeld. De grootste problemen bij kinderen met ADD doen zich voor met taakgericht werken op school, thuis bij het maken van huiswerk en in de omgang met leeftijdgenoten. Op jonge leeftijd kan ook het aanleren van de dagelijkse routine trager verlopen.
De passiviteit, teruggetrokkenheid en vergeetachtigheid wreekt zich bij uitvoering van taken die niet direct in de belangstellingssfeer van het kind liggen. 'Hij kan het wel, als hij maar wil', is een veelgehoorde opmerking bij deze kinderen. Vaak wordt niet begrepen dat juist het willen iets is waar het kind met ADD minder grip op heeft. Dikwijls ontstaan er pas ernstiger problemen op de leeftijd van het voortgezet onderwijs of nog later, omdat er dan zwaardere eisen aan het kind worden gesteld. ADD kan niet worden vastgesteld met bijvoorbeeld bloedonderzoek of een hersenscan. De diagnose wordt gesteld door een gespecialiseerde kinderarts, kinderneuroloog, kinder- en jeugdpsychiater of gz-psycholoog. De deskundige gaat na of er kenmerkende symptomen van ADD zijn en baseert zich daarbij op informatie uit verschillende bronnen, met name ouders en leerkrachten. Daarna wordt de ernst van het niet goed functioneren bepaald. Als er medicijnen voorgeschreven worden is soms lichamelijk onderzoek nodig.
Voor een diagnose kan de huisarts of het Bureau Jeugdzorg u doorverwijzen naar een kinderarts of instelling voor geestelijke gezondheidszorg.
Kinderen met ADD kunnen getypeerd worden door:
- Stil en angstig gedrag
- Dromerigheid
- Passiviteit
- Teruggetrokkenheid
- Gebrek aan zelfcontrole
- Traag leertempo
- Te weinig zelfcontrole
Kinderen met ADD moeten volgens de DSM IV minstens 6 van de onderstaande 9 kenmerken hebben:
- maakt slordigheidsfouten
- kan de aandacht niet vasthouden
- lijkt niet te luisteren
- volgt aanwijzingen niet op
- moeite met organiseren
- vermijdt langdurige taken
- raakt dingen kwijt
- wordt gemakkelijk afgeleid
- vergeetachtig
Deze kenmerken moeten méér dan gemiddeld voorkomen, al langere tijd bestaan en niet veroorzaakt worden door andere (psychiatrische) stoornissen.
De meest voorkomende kenmerken van ADD op een rijtje:
- Het kind is gevoelig en emotioneel. Ook heeft hij last van emotionele wisselingen. Boosheid kan zo omslaan in blijdschap.
- Het kind is chaotisch, ongestructureerd, slordig en vergeet veel. Het gaat bijvoorbeeld opruimklusjes uit de weg.
- Het kind ontwijkt grote groepen en trekt zich graag terug. Het kind is liever wat op de achtergrond.
- Het kind kan ergens helemaal in opgaan, bijvoorbeeld in een bepaalde interesse. Daar heeft hij dan ook grote passie voor.
- Het kind kan situaties goed voor zich zien.
- Het kind kan zich moeilijk concentreren op een opdracht en is ook snel afgeleid. Daardoor kan het kind slecht aanwijzingen opvolgen. Ook heeft het kind moeite met luisteren en stilzitten.
- Het kind kan zichzelf moeilijk motiveren voor iets en is ook door anderen slecht te motiveren om bijvoorbeeld een opdracht goed uit te voeren.
- Het kind is creatief en probleemoplossend ingesteld.
- Het kind is erg onzeker over zichzelf en is daarnaast erg perfectionistisch.
- Het kind is assertief.
- Het kind is veel in gedachten, staart veel of is veel aan het dagdromen. Daardoor lijkt het alsof het kind veel afwezig is.
- Het kind probeert altijd ver vooruit te denken.
Situaties worden ‘overkomen’ door het kind; het wordt overspoelt met informatie. Dingen die moeten gebeuren worden uitgesteld tot het laatste moment.
Verschillen met ADHD
ADD is anders dan ADHD. Maar het verschil is niet alleen dat deze kinderen niet hyperactief zijn. Er zijn meer verschillen. De problemen zijn net iets anders, waardoor ook de aanpak van de problemen anders moet zijn.
ADD is niet ADHD zonder de hyperactiviteit, maar verschilt op een aantal belangrijke punten met ADHD. zoals hieronder beschreven:
| ADD | ADHD |
Het kind kan moeilijk op gang komen bij een opdracht |
Het kind kan moeilijk rustig aan doen wanneer het ergens mee bezig is. |
| Het kind slechts kan één ding tegelijk doen | Het kind doet meerdere dingen tegelijk, waardoor veel ‘half’. |
Het kind heeft vrij veel wisselende en verschillende activiteiten. |
Het kind doet dingen zonder daarbij over de gevolgen na te denken |
Het kind dagdroomt veel. Zit veel in zijn eigen gedachten en fantasie. |
Het kind is juist snel afgeleid door prikkels van buitenaf. |
Het kind werkt en denkt langzaam. |
Het kind gaat met een rap tempo door verschillende werkzaamheden heen. |