| ASS | erfelijk | volwassen | diagnose | WISC-III NL | tips |
De WISC-III NL (Wechsler Intelligence Scale for Children) bestaat uit twaalf onderdelen: zes verbale of mondelinge en zes performale of praktische subtests, die hieronder beschreven worden.
- Informatie: vragen die een beroep doen op de algemene kennis.
- Overeenkomsten: gevraagd wordt de overeenkomst tussen steeds twee zaken te noemen.
- Rekenopgaven :mondeling aangeboden rekenvraagstukjes uit het hoofd oplossen.
- Woordenschat: de betekenis van allerlei woorden mondeling weergeven.
- Begrijpen: vragen over allerlei sociale- en maatschappelijke situaties.
- Cijferreeksen: rijtjes cijfers nazeggen, eerst vooruit, dan achterstevoren.
- Onvolledige tekeningen: ontbrekende details op plaatjes ontdekken.
- Plaatjes ordenen: plaatjes in de goede volgorde leggen, zodat het verhaaltje klopt.
- Blokpatronen: mozaïekpatronen naleggen door middel van blokken
- Figuur leggen: legpuzzels maken
- Substitutie: de ene schriftelijke code in de andere omzetten, naar een voorbeeld
- Doolhoven: met een potlood in doolhoven, de weg naar de uitgang aangeven.
Met behulp van de standaardscores per subtest wordt een "intelligentieprofiel' samengesteld dat in een grafiek uitgezet kan worden. Zo worden de relatief sterke en zwakke cognitieve vaardigheden zichtbaar.
De gemiddelde standaardscore per subtest is 10 met een 'normale' spreiding van 3 punten daarboven en daaronder. Bij de scores tussen 7 en 13 spreken we dus van een gemiddelde, normale score ten opzichte van de eigen leeftijdsgroep. 13 en hoger is bovengemiddeld en 7 en lager is beneden gemiddeld.
Er worden verschillende IQ's berekend: een totaal IQ (TIQ) een totaal verbaal IQ (TVIQ) en een totaal-performaal IQ (TPIQ) Een IQ van 100 is gemiddeld, met een speling van 15 punten daarboven en daaronder. Een IQ>115 beschouwt men als bovengemiddeld, bij een IQ < 85 spreken we van benedengemiddeld. Bij een IQ>130 wordt iemand hoogintelligent of hoogbegaafd genoemd (al naargelang de filosofie achter de begripsdefiniëring)
Omdat kinderen met PDD-NOS de kans lopen om op school wat achter te blijven met hun prestaties, wordt vaak aangeboden om hen een intelligentietest af te (laten) nemen. Op zichzelf natuurlijk geen enkel probleem. Maar deze kinderen laten zich echter lastig testen omdat ze soms gewoon geen zin hebben of omdat de test te lang duurt om het hoge niveau van concentratie, dat daarbij hoort, vast te houden. De uitkomst dient dus altijd met enige argwaan bekeken te worden. Om ouders toch een indruk te geven van zo'n intelligentietest bespreken wij hier de meest gebruikte, de WISC-RN test. Deze test meet het algemene intelligentieniveau.
De WISC III 2002 NL test (Wechsler Intelligence Scale for Children-Revised for the Netherlands) stamt uit 2002 en wordt gebruikt om de intelligentie te testen van kinderen tussen de 6 en 16 jaar.
De WISC III 2002 heeft een revisie ondergaan in 2004. Er werd een nieuwe normering vastgesteld.
Een IQ van rond de 100 wordt als gemiddeld gezien.
De helft van de Nederlanders hebben een IQ dat ligt tussen de 90 en de 110. De rest zit daar boven of beneden.
- Hoogbegaafd meer dan 130
- Begaafd 121-130
- Bovengemiddeld 111-120
- Gemiddeld 90-110
- Beneden gemiddeld 80- 89
- Moeilijk lerend 60- 79
- Zeer moeilijk lerend minder dan 60
Het IQ is samengesteld uit twee onderdelen: het verbale IQ en het performale IQ.
Het verbale IQ bestaat uit de taalvaardigheden. Het performale IQ meet de ruimtelijke vaardigheden.
Met een intelligentietest kan niet worden vastgesteld of iemand PDD-NOS, dyslexie, ADHD, of een andere ontwikkelings-, gedrags- of leerstoornis heeft. Wel geeft het een indicatie over de mogelijkheid van het voorkomen van dyslexie, faalangst, etc.
De WISC-RN test is opgebouwd uit 12 verschillende subtests. Deze subtests bestaan uit verschillende vragen en opdrachten. Het begin van de subtest is steeds eenvoudig, maar wordt steeds moeilijker naarmate de test vordert.
De orthopedagoog / psycholoog, die de test afneemt, legt elke nieuwe subtest met een voorbeeld uit. Daarna is het kind aan de beurt. Er wordt gestopt met iedere subtest wanneer de vragen of de opdrachten te moeilijk worden. Dus: als het kind een aantal vragen achter elkaar onjuist beantwoord heeft.
Uitgebreide informatie:
De subtests van de WISC-III 2002
Subtest 1: Informatie
Dit onderdeel bestaat uit vragen naar algemene kennis. Veelal feiten of informatie die het kind in zijn omgeving heeft opgedaan. Deze subtest zegt iets over de algemene ontwikkeling van het kind.
Subtest 2: Onvolledige tekeningen
Dit zijn tekeningen waaraan iets ontbreekt. Het kind moet zeggen of aanwijzen wat ontbreekt.
Deze subtest zegt iets over de waarneming. Kijkt het kind slechts globaal of ook naar details.
Subtest 3: Overeenkomsten
De tester laat een aantal woordparen horen. Het kind moet telkens de overeenkomst aangeven tussen de twee woorden. Deze subtest zegt iets over het logisch redeneren.
Subtest 4: Plaatjes ordenen
Er wordt een serie plaatjes door elkaar geschud. Het kind moet de plaatjes in de goede volgorde leggen zodat ze een verhaaltje vormen. Deze subtest zegt iets over het visueel organiseren en het logisch redeneren.
Subtest 5: Rekenopgave
Aan de hand van verhaal-sommen moet het kind de antwoorden uit het hoofd uitrekenen. Deze subtest zegt iets over de rekenvaardigheid.
Subtest 6: Blokpatronen
Met blokken moet het kind patronen naleggen. Deze subtest zegt iets over het ruimtelijk inzicht.
Subtest 7: Woordenschat
Het kind moet de betekenis van allerlei woorden geven.
Subtest 8: Figuur leggen
Het kind moet puzzels maken met ongekleurde puzzelstukjes. Deze subtest zegt iets over de vaardigheid om van delen een geheel te maken.
Subtest 9: Begrijpen
Over allerlei sociale situaties worden vragen gesteld en het kind moet deze beantwoorden.
Deze subtest zegt iets over het vermogen om sociale situaties te doorzien en te begrijpen.
Subtest 10: Substitutie
Het kind krijgt een vel papier met een heleboel cijfers erop. Bij elk cijfer hoort een bepaald teken (in een voorbeeld is te zien welk teken dat is). Het kind moet de tekens zo snel mogelijk achter de cijfers invullen. Deze subtest zegt iets over het visuele korte-termijn geheugen.
Subtest 11: Cijferreeksen
Cijferreeksen moeten worden nagezegd. Naarmate de test vordert worden deze reeksen langer. Eerst moeten ze in gewone volgorde worden nagezegd, daarna in omgekeerde volgorde.
Deze subtest zegt iets over het auditieve geheugen van het kind.
Subtest 12: Doolhoven
Het kind moet met een potlood de weg naar buiten tekenen bij doolhoven. Deze subtest zegt iets over het vermogen om te plannen en te organiseren.
De oneven subtesten hebben samen betrekking op de verbale mogelijkheden.
De andere (even) zijn meer praktische opdrachten en geven een beeld van de performale mogelijkheden.
Voor iedere subtest wordt een score berekend.
Alle scores samen geven, omgerekend naar de leeftijd, het IQ van het kind.
De orthopedagoog kan echter meer met de scores doen. Daarbij gaat hij na hoe het kind heeft gescoord op een bepaalde factor, zoals 'verbaal begrip' (begrijpen van taal) of 'perceptuele waarneming' (waarneming).
Intelligentie-profiel
Een andere mogelijkheid is om de scores van de verschillende subtests met elkaar te vergelijken. Dat geeft een beeld van het intelligentie-profiel. Soms zijn er namelijk grote verschillen tussen de scores van de verschillende subtests. Het kind heeft dan een 'disharmonisch profiel'. Dat betekent dat er (hele) hoge en (hele) lage scores zijn. De redenen hiervan kunnen zijn: dyslexie, faalangst, obsessieve compulsieve stoornis (dwangneurose), etc. Het is aanleiding voor verder onderzoek.
Taakaanpak
De testresultaten geven aan hoe de intelligentie van het kind is opgebouwd. Ook geven ze informatie over de taakaanpak van het kind:
- Gaat het direct aan de slag of overdenkt het de taak eerst rustig;
- Hoe reageert het kind als een taak te lastig voor hem is. Probeert het er toch uit te komen of zegt het snel dat hij het niet snapt;
- Gaat het stapje voor stapje aan het werk of probeert het steeds maar wat en vindt door 'trial-and-error' uiteindelijk (wel of niet) het juiste antwoord;
- Kan het zich langere tijd concentreren op een taak of wordt het snel afgeleid;
- Formuleert het goed of spreekt het in halve zinnen;
- Moet het vaak naar woorden zoeken
Samengevat zegt het bovenstaande iets over het proces van informatie-verwerken en leren.
Tot slot:
Iedere intelligentietest is per definitie onbetrouwbaar wanneer deze gebruikt wordt voor het testen
(of vergelijken) van personen met verschillende sociale, raciale, culturele of economische achtergronden.
bron: diverse bronnen en http://www.pdd-nos.nl/contents/intelligentie.html