| Auditieve analyse | De leerling moet vaststellen uit welke fonemen ( klanken) een woord is opgebouwd |
| ADHD Attention deficit / hyperactivity disorder | Een syndroomdiagnose waarbij de volgende kenmerken · centraal staan: · Overactiviteit ( het bewegingspatroon is erg druk, bruusk, bruut) · Aandachtstekort het kind kan zich niet richten op een opdracht · Men is vergeetachtig · Men heeft moeite met organiseren van de informatieverwerking · Impulsiviteit in denken en doen |
| Afasie (dysfasie) | Een vermindering of verlies van het vermogen zich uit te drukken door middel van spraak, schrift of tekens dan wel de gesproken of geschreven taal te begrijpen als gevolg van een beschadiging van het centrale zenuwstelsel |
| Apraxie ( dyspraxie) | Een ontwikkelingsstoornis in de uitvoering van complexe en doelgerichte bewegingen met het lichaam en / of bepaalde lichaamsdelen, waardoor een onvermogen bestaat om doelbewust de handeling uit te voeren |
| Assimilatie | (Piaget) Het aanpassingsproces van het organisme aan nieuwe situaties en problemen omschrijven |
| Associatie | Het leggen van verbanden met eerder geleerde kennis, situaties, gebeurtenissen |
| Auditief | Met betrekking tot het gehoor |
| Auditieve Voorwaarden | De mogelijkheden die een leerling heeft om informatie die gehoord wordt op een bepaalde wijze te verwerken. Onderzocht worden vaak de auditieve analyse ( klanken kunnen onderscheiden), de auditieve discriminatie ( klanken op hun verschillen kunnen onderscheiden wanneer deze dichterbij elkaar liggen) en de auditieve synthese ( klanken kunnen koppelen aan elkaar). De auditieve voorwaarden zijn belangrijk voor het aanvankelijk lezen en voor spelling. |
| Auditieve discriminatie | Het onderscheiden van spraakklanken |
| Auditieve synthese | Het samenvoegen van afzonderlijke klanken tot een woord |
| Begaafdheid | Intellectuele waardering volgens Intelligentiequotiënt: · 134 tot 145 begaafd · > 145 zeer begaafd . 80 tot 95 minder begaafd |
| Bilateraal | Tweezijdig |
| Binoculair zien | Diepte zien ( tweeogig zien) |
| Ccompensatie | Aanvulling van een tekort |
| Cerebraal | Met betrekking tot de hersenen |
| Cognitie | Betrekking hebben op het kenproces |
| Co-morbiditeit | Het samengaan van twee of meer aandoeningen. ( bijvoorbeeld ADHD en dyslexie) |
| Compenseren | De vervanging van de normaal gebruikelijke taak of uitvoeringsvorm door een gelijkwaardige taal en een gelijkwaardige uitvoeringsvorm |
| Conduct disorder (CD) | Deze kinderen vertonen vaak grensoverschrijvend gedrag ( moeite met regels, vaak agressief) |
| Coördinatie | Onderlinge afstemming en samenwerking van orgaanfuncties |
| Diagnosticeren | Lokaliseren van leer- spellingsproblemen en het opsporen van de aard van het probleem |
| Diagnostiek | Het vaststellen van de aard, oorzaak en toestand van een Stoornis met daartoe ontworpen hulpmiddelen |
| Didactische leeftijd | Het aantal maanden dat een leerling onderwijs heeft genoten. |
| Differentiatie | Te onderscheiden verfijnde ontwikkeling van een deel van het organisme |
| Discrepantie | Onderlinge afwijking tussen twee eenheden Een statistisch te berekenen verschil tussen het niveau van de intelligentie enerzijds en de procesaspecten van lezen, spelling en/ of rekenen anderzijds. Als en sprake is van een discrepantie ( onderlinge afwijking) dan kunnen wij zakelijk spreken van een leerstoornis. Is deze discrepantie er niet, dan is een leermoeilijkheid |
| Dominantie | Overheersing van d werking van een der beide hersenhelften |
| Dyscalculie | Een stoornis op het gebied van rekenen, rekenzwakte |
| Dysharmonisch intelligentieprofiel | De seriële informatieverwerking ( Verbale Intelligentie) is relatief zwak t.o.v. de simultane informatieverwerking ( Performale Intelligentie) |
| Dyslexie | Een stoornis op het gebied van lezen en/ of de spelling en / of taal. Er zijn verschillende subtypen van dyslexie, wat van belang is voor het behandeladvies. Dyslexie is een stoornis bij het leren lezen en spellen |
| Dysorthografie | Een stoornis die zich beperkt tot de schriftelijke verwerking van taal. De dysorthografie is een onderdeel van dyslexie |
| Edukinesiologische oefeningen | Oefeningen ter stimulering van de samenwerking van beide hersenhelften |
| Empirisch | Berustend op waarneming en ervaring |
| Exploreren | Onderzoeken verkennen |
| Faalangst | Angst om te falen Positieve faalangst: men functioneert optimaal Negatieve faalangst: men disfunctioneert |
| Faciliteren | Vergemakkelijken, bevorderen |
| Fonologie | Taalwetenschap die zich bezighoudt met de klanken als betekenisdragers |
| Fonologische kennis | Men weet uit welke afzonderlijke klanken een woord is samengesteld. Dit maakt het mogelijk om een uitgesproken woord in afzonderlijke letters te ontleden en in de juiste volgorde op te schrijven. |
| Geheugen | Je hebt lange termijn en korte termijn geheugen ( werkgeheugen) Bij lezen en spellen spelen auditief korte termijn geheugen en het visuele korte termijn geheugen een belangrijke rol Het sequentieel geheugen zegt iets over het vasthouden van een volgorde en is van invloed op het lezen, rekenen, spelling en taal |
| Genetisch | Erfelijk |
| Grafofonische invullingen | Een leerling schrijft wat hij denkt te horen |
| Hemisfeer | Hersenhelft |
| Infereren | De lezer maakt gevolgtrekkingen over de betekenis van bepaalde woorden n de context van het verhaal ( bijv. leest straat i.p.v. laan) |
| Inner speech (innerlijke spraak) | Het proces van het omzetten van ervaringen in symbolen met het gebruik van lipbewegingen |
| Intelligentie | Basiscapaciteit betreffende de aanpassing aan nieuwe problemen. Het is een gegeven dat dit een indicatie is voor het niveau van leerbaarheid. De intelligentie wordt in het onderzoek met verschillende tests onderzocht. De gemiddelde score op de Wisc-RN is 100 het gemiddelde niveau van de standaardscores bedraagt 10 |
| Interferentie | Wanneer bij informatieverwerking processen op elkaar gaan storen, spreken we van interferenties. Er kunnen daardoor fouten ontstaan die het beeld geven van concentratieproblemen of slordigheid maar dit in feite niet zijn. |
| Interhemisferaal | Wat er zich tussen twee hersenhelften afspeelt |
| Interioriseren | Verinnerlijken |
| Intrahemisferaal | Wat er zich binnen een hersenhelft afspeelt |
| IQ intelligentiequotiënt | Cijfer ter aanduiding van het IQ Men gebruikt een test daarna De verstandelijke leeftijd delen door de kalenderleeftijd Dit getal vermenigvuldigt met 100 |
| Lateraliteit | De voorkeur voor het gebruik van een arm of been van En van het oog van de andere zijde Lateraltiteit leidt tot het gebruik van beide lichaamsdelen |
| Leerprobleem | Dit zijn leermoeilijkheden en leerstoornissen. De vaststelling hiervan is belangrijk voor de aard van de behandeling |
| Modale omzettingen | De neurologische verwerking van informatie. Bij het lezen wordt de informatie visueel waargenomen en binnen een circuit wordt er een betekenis aan gekoppeld. Dit is een intramodale visuele omzetting. Bij een intermodale omzetting vindt er een koppeling plaats tussen verscheidene functies |
| Morfemen | Samenstellende delen van een woord. Deze delen worden mede bepaald door de relatie van het woord met de rest van de zin. |
| Motoriek | Functionele eenheid van spieren en motorische zenuwen waardoor men kan bewegen |
| Myeline | Een soort isolatielaag die de axonen van de hersencellen bedekt |
| Neurologie | Wetenschap die zich bezighoudt met het gezonde en zieke zenuwstelsel |
| Non verbal learning disability syndrome ( NLD) | Een disfunctie in de witte hersenmassa als gevolg waarvan Kinderen oog- en schrijfmotorische [problemen hebben ( visiospatiele problemen). Verder hebben ze moeite met ordenen, conceptvorming en rekenen. Vaak is de lichaamstaal gering |
| Observatie | Het verzamelen van waarnemingen |
| Orthodidaktiek | De leer die methoden van hulpverlening ontwerpt ze systematiseert en toepasbaar maakt voor de verwerving en overdracht van vaardigheden en kennis, ten dienste van de behandeling van kinderen met stoornissen in de ontwikkeling ter versterking van de algemene en specifieke leervoorwaarden |
| Orthografie | De kunst om volgens de ( spelling) regels te schrijven |
| Orthopedagogiek | De wetenschap die zich bezighoudt et besturen van de in de ontwikkeling belemmerden |
| Partieel defect | Door Bladergroen omschreven als het uitvallen van de ontwikkeling van een structuurgebied van de intelligentie dat betrekking kan hebben op waarnemen, het ruimtelijk ordenen, het figuuraal voorstellen en het verhoudingsdenken, waardoor structuurgebieden, bijvoorbeeld van taal en denken niet tot ontwikkeling komen |
| Perceptie | Waarneming zoals die actief wordt verwerkt, de waarnemingswijze |
| Performale intelligentie | De nadruk ligt op ruimtelijk inzicht, overzicht, logische volgorde ook wel praktische intelligentie genoemd |
| Perseveratie | Het blijven kleven aan een bepaald onderwerp, onder meer door het herhalen van bepaalde bewegingen, gebaren of woorden |
| Pervasieve ontwikkelingsstoornis ( PDD – NOS) | Pervasive Developmental Disorder Er is een kwalitatieve tekortkoming in de ontwikkeling van de sociale vaardigheden, van de verbale en non-verbale communicatieve vaardigheden |
| Prelinguaal | Voor de periode van taalbezit |
| Psychoanalyse | Freud methode en theorie over de inhoud en de functie van het onderbewuste en het onderzoek daarvan |
| Regressie | Terugval in een vroeger stadium van de ontwikkeling |
| Reinforcement | Maatregelen die een versterkende werking hebben op het gedrag en de kans op herhaald optreden ervan vergroten. Positieve reinforcement bijv. beloning Negatieve reinforcement bijv. straf |
| Remedial teaching | Onderwijs aan kinderen die om de een of andere reden achter zijn in hun klas of bijzondere problemen hebben. Dit onderwijs wordt doorgaans individueel of in een kleine groep gegeven door een speciaal geschoolde remedial teacher |
| Reversibilite | Piaget: principe van de omkeerbaarheid bij rekenen 5-1=4 4+1=5 |
| Ruimtelijke oriëntatie | In relatie met dyslexie Problemen met spiegelen van letters en van woorden bijvoorbeeld b en d , kat en tak |
| Semantiek | Leer van de betekenis van woorden |
| Sensomotoriek | Dit is de afstemming van de waarneming op het bewegen en omgekeerd. Bij het schrijven van letters en cijfers is dit belangrijk |
| Sequentieel denken | Opeenvolging, denken in stapjes |
| Significant | Betekenishebbend |
| Symptomen | Verschijnselen maniestaties van bepaalde afwijkingen of stoornissen |
| Syndroom | Groep van verschijnselen of symptomen die samen een ziekte - eenheid of aandoening vormen. |
| Synthese | Samenvoeging, verbinding van afzonderlijke elementen tot een nieuw geheel |
| Taal | De kwaliteit van de begrippenkaders en het aantal begrippen. Taal omvat o.a. semantische ( betekenis), syntactische ( zinsconstructies en morfologische (woordvorming) aspecten |
| Tactiliteit | Tastzin, actief en passief verkregen indrukken via de huid |
| Temporeel | Betrekking hebbende op de tijd |
| Verbale intelligentie | De nadruk ligt op taal, onthouden, feitenkennis |
| Visueel geheugen | Bijzonder geheugen voor gezichtsindrukken |
| Voorstelling | Functieniveau tussen waarnemen en abstractie in de voorstelling vindt een individueel gekleurde neerslag en projectie van de werkelijkheid plaats |
| Vormconstantie | Het onder elke conditie herkennen van de vorm |
| Vormherkenning | Jet herkennen van de vormen van objecten onafhankelijk van hun grootte en positie |
| Werkgeheugen | Het geheugen voor informatie die nog minimale bewerking heeft ondergaan. Dit geheugen heeft een beperkte opslagcapaciteit van 5 –7- 9 informatie eenheden. Ook wel korte termijngeheugen genoemd |
| Woordbeeld | Een goede lezer ziet geen afzonderlijke letters meer maar een figuur gevormd door een vaste combinatie van letters, die dan als een geheel wordt waargenomen |
| Woordblindheid | Ander woord voor dyslexie ( het niet goed kunnen lezen en spellen van woorden |
| Woordvinding | Het opzoeken van een woord in het mentale lexicon. Dit duurt een fractie van een seconde. Bij dyslectici kost dit iets meer tijd. Ze komen soms niet op een woord |