DSMIV

Naamloos document

DSM Asperger DSM PDD-NOS ADHD      

In ongeveer 50 jaar is het DSM geëvolueerd van DSM-I tot DSM-IV-TR. Op dit ogenblik (2011) is de laatste versie de DSM-IV-TR (2000). Door de jaren heen zijn de volgende versies verschenen:

  • DSM-I (1952)
  • DSM-II (1968)
  • DSM-III (1980)
  • DSM-III-R (1987)
  • DSM-IV (1994)
  • DSM-IV-TR (2000)
  • DSM-V (verwacht voor mei 2013; (waarschijnlijk zal de DSM-V voor as-II een dimensionale benadering bieden, al dan niet in combinatie met een categoriale benadering).

Vanaf de negentiende eeuw onderging de geneeskunde in het algemeen door wetenschappelijk onder-zoek een hele evolutie. Ook in de psychiatrie leidde dit tot het opstellen van systematische indelingen van psychische aandoeningen.

Afhankelijk van het model dat de psychiaters die deze indelingen opstelden hanteerden, van voornamelijk biologisch georiënteerd, (zoals Kraepelin) tot meer theoretisch, leidde dit tot andere indelingen, die door en naast elkaar werden gebruikt. Decennialang is het onderzoek naar de diagnostiek en behandeling van psychiatrische patiënten ernstig bemoeilijkt, doordat iedere onderzoeker zijn eigen invulling had van een bepaalde diagnostische term. Zo kon in het ene land een bepaalde benadering bij een bepaalde groep patiënten wel aanslaan maar in een ander land helemaal niet.

In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw kwam er kritiek op de lage onderlinge betrouw-baarheid van bepaalde diagnoses en op de te strikte afbakening van de grenzen tussen normaal en abnormaal gedrag waar deze in werkelijkheid veel vager waren. De noodzaak van een duidelijke en eenduidige diagnose leidde ertoe dat de meerderheid van de psychiaters anders ging werken. Voortaan zou de voorlopige diagnose met een collega of een team worden besproken. Daarvoor moesten de gebruikte diagnostische termen voor allen dezelfde inhoud hebben.

In de psychiatrie zijn klachten en symptomen van patiënten veelal vaag, complex en onsamenhangend, en wisselt de beoordeling van de ernst ervan sterk met de beoordelaar. Verder zijn er verschillende theorieën over dezelfde term, bijvoorbeeld schizofrenie.

Om te pogen in deze chaos orde te scheppen is het DSM ontstaan, met zoveel succes dat het inmiddels in zijn vierde versie over nagenoeg de gehele wereld gebruikt wordt. Een internationale groep psychiaters, psychologen en epidemiologen kwamen voor de American Psychiatric Association samen om een handleiding voor het gebruik van diagnostische termen samen te stellen. Daarmee is niet gezegd dat het DSM perfect is: het blijft een vrij ruwe maatstaf, maar het is wel het vaakst gehanteerde classificatiemiddel dat er is.

Hoofdcategorie:
Stoornissen die meestal voor het eerst op zuigelingenleeftijd, kinderleeftijd of in de adolescentie gediagnosticeerd worden. Subcategorie: Pervasieve ontwikkelingsstoornissen 299.00 Autistische stoornis (Autistic Disorder)

A. Een totaal van zes (of meer) items van (1), (2) en (3) met ten minste twee van (1), en van (2) en (3) elk één:

  1. Kwalitatieve beperkingen in de sociale interacties zoals blijkt uit ten minste twee van de volgende:
    1. duidelijke stoornissen in het gebruik van verschillende vormen van non-verbaal gedrag, zoals oogcontact, gelaatsuitdrukkingen, lichaamshoudingen en gebaren om de sociale interactie te bepalen
    2. er niet in slagen met leeftijdgenoten tot relaties te komen, die passen bij het ontwikkelings-niveau
    3. tekort in het spontaan proberen met anderen plezier, bezigheden of prestaties te delen (bijvoorbeeld het niet laten zien, brengen of aanwijzingen van voorwerpen die van betekenis zijn)
    4. afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid
  2. Kwalitatieve beperkingen in de communicatie zoals blijkt uit ten minste één van de volgende:
    1. achterstand in of volledige afwezigheid van de ontwikkeling van de gesproken taal (niet samengaand met een poging dit te compenseren met alternatieve communicatiemiddelen zoals gebaren of mimiek)
    2. bij individuen met voldoende spraak duidelijke beperkingen in het vermogen een gesprek met anderen te beginnen of te onderhouden
    3. stereotiep en herhaald taalgebruik of eigenaardig woordgebruik
    4. afwezigheid van gevarieerd spontaan fantasiespel (doen-alsof spelletjes) of sociaal imiterend spel (nadoen spelletjes) passend bij het ontwikkelingsniveau
  3. Beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten zoals blijkt uit ten minste één van de volgende:
    1. sterke preoccupatie met één of meer stereotiepe en beperkte patronen van belangstelling die
      abnormaal is ofwel in intensiteit ofwel in richting
    2. duidelijke rigide vastzitten aan specifieke niet-functionele routines of rituelen
    3. stereotiepe en zich herhalende motorische maniërismen (bijvoorbeeld fladderen of draaien met hand of vingers of complexe bewegingen met het hele lichaam)
    4. aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen

B. Achterstand in of abnormaal functioneren op ten minste één van de volgende gebieden met een begin voor het derde jaar:

  1. sociale interacties
  2. taal zoals te gebruiken in sociale communicatie of
  3. symbolisch of fantasiespel

C. De stoornis is niet eerder toe te schrijven aan de stoornis van Rett of een desintegratiestoornis van de kinderleeftijd geneesmiddel) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld temporaalkwab epilepsie)
Dissociatieve stoornis NAO (Niet Anderszins Omschreven) Deze categorie is opgenomen voor stoornissen waarbij het belangrijkste kenmerk een dissociatief symptoom is (dat wil zeggen een verstoring van de
gewoonlijk geïntegreerde functies van bewustzijn, geheugen, identiteit of waarneming van de omgeving) dat niet voldoet aan de criteria voor een specifieke dissociatieve stoornis. Vanwege de verscheidenheid aan klinische beelden is het onmogelijk voor een diagnostische nomenclatuur elke mogelijke situatie te dekken. op grond hiervan heeft elke diagnostische klasse tenminste één categorie ‘n.